foto drienerloos vocaal ensemble
drienerloos vocaal ensemble, vrijhof, universiteit twente, postbus 217, 7500 ae, enschede
Onze dirigent, Valentijn, heeft een interessant stuk geschreven over Distler.

HUGO DISTLER (1908-1942)

Auteur: Valentijn Smit
17 februari 2009

Hugo DistlerHugo Distler werd in 1908 in Neurenberg geboren. Op het conservatorium van Leipzig studeerde hij aanvankelijk piano en directie, maar al gauw vatte hij de liefde op voor het orgel. Hij veranderde van studierichting: compositie studeerde hij bij Hermann Grabner en orgel bij Günther Ramin, organist en later ook cantor van de Thomaskirche te Leipzig. Deze leraren, met wie hij een vriendschap onderhield, gaven hem hun warme belangstelling voor degelijk contrapunt en voor de rijke tradities van de Duitse koormuziek door, in het bijzonder  voor de oude Lutherse koorwerken en de Leipziger kerkmuziek. Het was de tijd van de Orgelbewegung, de herontdekking van de orgels van de (vroeg)barok en van de voor deze instrumenten gecomponeerde muziek.

Musicoloog Riemann, componist Reger en organist en Thomascantor Straube, de opvolger van J.S. Bach, waren er de pioniers van. Met hun speurtocht naar het oude, waarvan zij in een eigentijds en dus romantisch gekleurd idioom blijk gaven in hun geschriften, composities en uitvoeringen, beïnvloedden zij de generatie van Distler. Heinrich Schütz werd herontdekt. De vroegbarokke herontdekking van het belang van het spraakritme werd vier eeuwen later op haar beurt herontdekt. De Noordduitse orgelbouwstijl van Schnitger kreeg geleidelijk een voorbeeldfunctie. Een nieuw elan inspireerde kunstenaars en wetenschappers. De Eerste Wereldoorlog was al weer ver weg, en van de Tweede had nog niemand weet. Hugo Distler zoog als een spons veel van de nieuwe omgang met het oude in zich op en genoot bovendien van actuele composities van Hindemith, Krenek, Weill, Honegger en Puccini. Hij had talent en werkte hard. Toen hij omwille van de financiën zijn studie moest opgeven vond hij dan ook gemakkelijk een functie. Hij werd organist in Lübeck. Met cantor Bruno Grusnick begon hij er de vespers (Dietrich Buxtehude (17e eeuw) organiseerde in dezelfde stad de zgn. Abendmusiken in de Marienkirche. Distler voerde deze traditie opnieuw in). Vernieuwing van de kerkmuziek was hun doel. En de vroege barok was daarbij een belangrijke inspiratiebron.

Hugo DistlerIn Lübeck schreef Distler veel kerkmuziek. In heel Duitsland gold hij al gauw als een veelbelovend componist. Zijn nieuwe composities werden bijna allemaal al direct uitgevoerd. Distler was dirigent van het kinderkoor en van het kleine koor van de Jacobikirche (in welke kerk tot op de dag van vandaag Distlers huisorgel in een stoffige zijkapel staat opgesteld ). Zijn koorwerken waren in eerste instantie bestemd voor zijn eigen praktijk. In de kleinschalige koraalzettingen van der Jahrkreis die hij met zijn kinderkoor uitvoerde zong Distler zelf de baspartij. Niet alleen nieuwe muziek wordt er tot klinken gebracht. Schütz, Hassler en Lechner worden door het grote koor onder leiding van Grusnick vertolkt; Bach, Buxtehude en Sweelinck door organist Hugo Distler. Tot 1937 was Distler in Noord-Duitsland werkzaam, daarna vertrok hij naar Stuttgart als leraar muziektheorie en koordirigent aan de Musikhochschule. Intussen was er een schaduw over Duitsland gevallen: de toenemende invloed van de nazi’s strekte zich ook uit tot kerk en muziek. Distler had een gevoelige natuur, hij trok zich de situatie aan en ondervond zelf moeilijkheden bij zijn beroepsuitoefening. Hoewel hij in januari 1937 in een brief rept van onrust:”Ik laat me tegenwoordig opdrijven naar waar mijn demon het wil”, componeerde hij in dat jaar zijn koorliederen op teksten van Eduard Mörike. De drie bundels, één voor gemengd koor, één voor vrouwenkoor en één voor mannenkoor vinden onmiddellijk bijval, hoewel ze pas na de oorlog in wijdere kring bekend zullen worden. Wanneer Distler in 1940 een benoeming aanvaardt tot professor aan de Musikhochschule in Berlijn –hij is er de opvolger van Kurt Thomas- stort hij zich gedreven in het muziekleven van de hoofdstad. De oorlog laat zich voelen: luchtaanvallen zijn geen zeldzaamheid, vrienden en collega’s worden voor militaire dienst opgeroepen. Distler zet zich weer aan het componeren: hij voltooit zijn twee grote motetten “Fürwahr, er trug unsere Krankheit” en “Das ist ja gewisslich war”, bedoeld als opening en slot van een grote a capella passie. Het werk aan de passie staakt hij als hij van de autoriteiten te horen krijgt dat een nieuw groot werk in het geestelijke genre niet bevorderlijk is voor de kans dat zij hem tot dirigent van het Staats- en Domkoor zouden benoemen. Aan zijn voornemen een groot oratorium over de geschiedenis van de westerse beschaving te schrijven vertilt Distler zich. Het drukke bestaan als docent en dirigent tegen de achtergrond van de oorlog doet Distlers compositorisch werk geen goed. Koortsachtig werkend, maar niet in staat de creatieve impulsen nog langer vorm te geven, voelt hij zich eenzamer. Op 1 november 1942 maakt hij een eind aan zijn leven.

Es ist ein Ros entsprungen - ScoreDistlers preoccupatie met de dood blijkt uit zijn oeuvre. Van de negen motetten die de verzameling Geistliche chormusik vormen zijn er liefst vijf die met de dood of met het hiernamaals van doen hebben. In zijn zelfgekozen dood geeft Distler nog eenmaal uitdrukking aan de gedachte “Ich wollt dass ich daheime wär”.

Distlers nieuwe composities hebben voor organisten en dirigenten, ook in Nederland, als inspirerend voorbeeld gewerkt. De liturgische beweging en de orgelbeweging hebben blijvende sporen in onze kerkelijke muziekcultuur nagelaten. In de jaren vijftig is bij de voorhoede van musici, liturgen en orgelbouwers het romantische sentiment minder in tel. De heldere klank van de Marcussen-orgels, een sobere vormgeving van de Protestantse eredienst met als uitgangspunt een optimaal samengaan van teksten, koor- en orgelmuziek en samenzang, het gebruik van een klavecimbel in plaats van een vleugel als continuo-instrument, het zijn zomaar wat elementen van de vernieuwing die plaatsvindt. De welsprekendheid van de oude muziek, in het bijzonder die van Schütz’ kerkmuziek, wordt een begrip, oude muziek wordt als een nieuw genre ontdekt.

Distlers koormuziek vormt niet alleen een getuigenis van een bepaalde periode in de geschiedenis, maar draagt een echt persoonlijk stempel. De paden van de functionele harmonie verlaat hij op bepaalde momenten. Hij heeft dat gemeen met Hendrik Andriessen, die in de Rooms Katholieke kerkmuziek eveneens probeert een antwoord te vinden op al te vet klinkende triomfalistische en sentimentele romantische gewoonten. Maar wanneer Distler in zijn motet de aanhef “Fürwahr” componeert, is de retoriek van Brahms’ “Warum” niet ver weg. De vergelijking met Andriessen gaat in menig opzicht niet op: een gedragen hymnische aanpak vinden we weliswaar ook in Distlers werk, maar eerder wordt diens compositietechniek gekenmerkt door een nerveuze gejaagdheid in de ritmiek. Onvoorbereide dissonanten vervullen bij Distler veelvuldig een functie bij het declamatorisch onderstrepen van de tekst.

Beide componisten hebben gemeen dat hun werk dikwijls een frisse indruk maakt. Een simpel Tantum ergo van Andriessen of een eenvoudig driestemmig koraal uit Distlers Jahrkreis zijn fonkelende juwelen in een kerkkorenrepertoire dat de dimensie van helderheid al te vaak mist. De poëzie van Distlers wereldlijke koorwerken, eveneens door oude voorbeelden beïnvloed, is voor koorzanger en luisteraar nog altijd te herkennen.

Tot slot enkele overeenkomsten van Distlers muziek met de oude muziek:

  • Zeer tekstgebonden
  • A-capella
  • Zeer vrij in de maat
  • Geen echte maatstrepen maar mensuurstreepjes
  • Vaak zeer polyfoon
  • Meest modaal
  • Verdubbelingen van sopraan- en baspartijen
  • Evenals Schütz schreef Distler een Weihnachtsgeschichte en een Choralpassion